Brussel, 11 juni 2026 – Nu de Wereldbeker voetbal gestart is, zal de voetbalwereld zich opnieuw graag voorstellen als een feest van verbondenheid, diversiteit en respect. Maar precies op zo’n moment is het nodig om te kijken naar wat er gebeurt wanneer die woorden botsen met de realiteit op en naast het veld.
Maar al te vaak speelt racisme stoorzender. Midden februari kregen het racisme tijdens Benfica–Real Madrid en de speech van Vincent Kompany nog wereldwijde aandacht. Real Madrid-speler Vinícius Júnior werd toen eens te meer racistisch geviseerd, dit keer door Benfica-tegenstrever Prestianni.
Wat volgde, was nog pijnlijker dan het voorval zelf: het thuispubliek floot Vinícius én Kylian Mbappé — die voor hem in de bres sprong — bij elke baltoets uit. Na de match ontkenden Prestianni, zijn coach José Mourinho (sinds enkele dagen aangekondigd als toekomstige… Real Madridcoach) en Benfica dat er sprake was van racisme. Er volgde wereldwijde verontwaardiging, met Vincent Kompany’s speech als hoogtepunt. Uiteindelijk zou Prestianni in mei 8 wedstrijden schorsing krijgen, waarvan 3 voorwaardelijk en 2 op internationaal niveau. Een internationale schorsing die hem wellicht een selectie voor de Wereldbeker kostte.
In de opeenvolging — incident, ontkenning, verontwaardiging, bewondering en sancties — wordt zichtbaar waarom het debat en de actie over racisme zo vaak naast de kern schiet. Het racisme tijdens Benfica–Real legde een aantal hardnekkige mechanismen bloot die ons verhinderen het probleem structureel aan te pakken. Het is meteen ook een handleiding voor hoe we best (niet) met eventuele racistische situaties tijdens de Wereldbeker en daarbuiten kunnen omspringen.
1. De verblindende kracht van straffe voorvallen
Een live-uitzending, expliciete racistische uitspraken, miljoenen kijkers, een wereldster als doelwit, wereldwijde steunbetuigingen: het incident tijdens Benfica–Real had zowat alles om de aandacht te trekken.
Maar dat heeft ook een prijs. Straffe, gemediatiseerde racistische voorvallen — en bij uitbreiding alle uitgesproken, zichtbare incidenten — hebben een bijna hypnotische kracht. Ze trekken onze blik naar wat uitzonderlijk is, waardoor minder spectaculaire maar minstens even ingrijpende vormen van racisme uit beeld verdwijnen.
Door die fixatie reduceren we racisme bovendien tot een gebeurtenis tussen individuen. De structurele dimensie — hoe kansen, macht en erkenning statistisch ongelijk verdeeld zijn — krijgt nauwelijks aandacht. Zoals sportjournalist Filip Joos vorig jaar opmerkte, is racisme in het voetbal slechts een symptoom.
Voor één Vinícius zijn er miljoenen anderen die — zonder internationale steun, zonder zijn bankrekening en vaak zonder zijn jobzekerheid — dagelijks de gevolgen van racisme dragen. Ook hun ervaringen zijn niet op één hand te tellen. Op school, op televisie of sociale media, bij het zoeken naar werk of naar een woning, in het openbaar vervoer of in de sportclub: overal worden ze soms ongelijk behandeld op basis van hun huidskleur, nationaliteit of afkomst. Het is die opeenstapeling die uitmondt in structurele achterstelling.
2. Een kunstmatige opdeling tussen ‘racisten’ en ‘niet-racisten’
De focus op straffe voorvallen beïnvloedt ook hoe we racisme definiëren. Het wordt iets van expliciete uitspraken door kwaadwillige individuen. Dat creëert een geruststellende tweedeling tussen “racisten” — Prestianni, Benfica, “zij” — en “niet-racisten” — de Real Madrid-spelers, “wij”.
Die tweedeling is een hardnekkige misvatting — en één met grote gevolgen. Omdat bijna niemand als “racist” wil worden gezien, treden bij de minste aantijging verdedigingsmechanismen in werking. We redeneren à la José Mourinho — “Benfica kan niet racistisch zijn, want Eusebio speelde er” — en verwijzen naar wat we al tegen racisme hebben ondernomen.
Maar wie denkt immuun te zijn voor racisme, verlaagt precies de waakzaamheid die nodig is om het bij zichzelf te herkennen. Zo groeit de kans dat we onbewust doen wat we bewust en oprecht afkeuren.
3. Victim blaming, twijfel en minimalisering
Het racisme tijdens Benfica–Real toont daarnaast op pijnlijke wijze aan hoeveel moed het vraagt om racisme — en evenzeer seksisme, seksueel grensoverschrijdend gedrag, validisme of homofobie — openlijk aan te kaarten. Meer dan eens wordt er kant gekozen voor de persoon die beschuldigd wordt. Zelden gebeurt dit zo zichtbaar als in de fluitconcerten tegen Vinícius en Kylian Mbappé. Het gebeurt vaak door niet in te grijpen, te twijfelen of er wel racisme in het spel was, of het te minimaliseren.
Niet zelden wordt, zoals bij Vinícius, de focus verlegd van het voorval naar het vermeende aandeel van het doelwit zelf: heeft hij het niet uitgelokt? Was haar reactie niet te heftig? Alsof er omstandigheden bestaan waarin racisme wél aanvaardbaar is. Alsof boosheid over onrecht verdacht is.
Zelden staan er echte leiders op, zoals Vincent Kompany, die een minutenlang betoog hield over racisme – hij zou dat kunststukje trouwens herhalen naar aanleiding van seksistische commentaren tegen de nieuwe Union Berlin-coach, de eerste vrouw in Duitsland die in het betaalde voetbal een mannenploeg coacht.
Professor Jacco Van Sterkenburg wees erop dat Kompany’s speech net zo succesvol was omdat ze rustig, verbindend en rationeel was. Wie racisme aanklaagt, weet echter dat de reactie zelden rustig genoeg is. Laat het woord “racisme” vallen, en vele verdedigingsmechanismen treden in werking. In geen tijd worden de rollen omgedraaid — de ‘dader’ wordt ‘slachtoffer’ — mede omdat we racisme ten onrechte zien als iets van “slechte mensen”.
Hoe kan het anders? Door racisme te zien voor wat het is: een ideologie die ons allen beïnvloedt. Dat maakt van ons geen “racisten”, maar wel mensen die in bepaalde contexten racisme en ongelijkheid mee in stand houden. Er ontstaat pas ruimte voor verandering wanneer we erkennen dat racisme een maatschappelijke kwaal is waar we samen vanaf moeten geraken. Dat vraagt introspectie — en bereidheid om ongemak niet uit de weg te gaan.
4. De verontwaardiging is goed, maar te vaak een eindpunt
De moeilijke positie van doelwitten maakt het des te belangrijker dat omstaanders tussenkomen. Naast alle haatberichten die hij moest verwerken, kreeg Vinícius opvallend veel steun. Die solidariteit is belangrijk. Maar ze mag daar niet ophouden.
De echte test ligt in wat we doen wanneer racisme zich afspeelt in onze eigen omgeving — bij collega’s, vrienden of familieleden. Dan spelen andere overwegingen mee: de relatie bewaren, geen conflict uitlokken, de sfeer niet verstoren. Hoe vaak wordt een racistische opmerking dan niet weggewuifd als een grap? Daar begint het met erkenning. Zonder erkenning blijft racisme onzichtbaar.
Maar erkenning is slechts een eerste stap. De speech van Vincent Kompany toonde de “kracht van woorden”, zoals De Standaard schreef. Maar de echte kracht van zijn woorden hangt uiteindelijk af van wat wij ermee doen.
Verontwaardiging zonder actie dreigt een vorm van morele zelfbevestiging te worden. We zeggen, zoals FIFA-voorzitter Gianni Infantino, “neen tegen racisme”, sanctioneren af en toe een individuele dader, maar kijken weg wanneer honderden arbeidsmigranten het leven laten in aanloop naar het WK in Qatar. We delen het filmpje van Kompany, maar grijpen we het ook aan om op school of op het werk te pleiten voor preventiemaatregelen en een kordate aanpak van racisme?
Ook op beleidsniveau blijft de vertaling naar structurele actie moeizaam. Vinícius was nog geen jaar oud toen België zich in 2001 in Durban engageerde om een nationaal actieplan tegen racisme te ontwikkelen. Vijfentwintig jaar later laat een daadkrachtig plan nog steeds op zich wachten. De ambitie van de federale regering was om tegen het najaar 2026 eindelijk een actieplan te lanceren. Of dit ook daadwerkelijk het geval zal zijn, en het meer wordt dan symboliek, zal moeten blijken.
Conclusie
De Wereldbeker zal opnieuw grote woorden opleveren over respect, diversiteit en samenhorigheid. Die woorden zijn nodig. Maar ze zijn niet genoeg.
Het racisme tijdens Benfica–Real en Kompany’s speech tonen de kracht van woorden — én hun grenzen. We kunnen blijven applaudisseren voor krachtige toespraken en ferme veroordelingen. Maar zolang racisme vooral een incident blijft dat we bespreken wanneer de camera’s draaien, verandert er weinig.
Racisme aanpakken vraagt meer dan medeleven: het vraagt structurele keuzes. Minder symboliek, meer beleid. Minder verontwaardiging, meer verantwoordelijkheid.
We duimen dus voor een WK zonder racisme, seksisme of homofobie — niet op het veld, niet naast het veld en ook niet daarbuiten. En als — of beter: wanneer — kwetsende uitspraken toch het voetbal naar de achtergrond zullen verdringen? Laat dat dan vooral een aanleiding zijn om uitsluiting, stigmatisering en ontmenselijking dichter bij huis kordaat aan te pakken. Pas dan wordt het WK echt een feest voor iedereen.
Thomas Peeters, stafmedewerker racisme aanpakken ORBIT vzw
thomas@orbitvzw.be | 0499 618 277
